Amersfoort

Huis Heijdenrijk (1968-1971)

Leo Heijdenrijk
Jaren 60 Jaren 70

De zitkuil als hart van het huis

 

In Amersfoort staat aan een smal voetpad een structuralistisch blok van acht geschakelde woningen. Het is ontworpen in 1969 door Leo Heijdenrijk en Lodi de Keijser, architecten bij Joost van der Grinten/Environmental Design. Beiden zijn er na de oplevering in 1971 zelf gaan wonen.

 

Het plan ontstond in 1968 toen de gemeente Amersfoort een stuk grond beschikbaar stelde voor vrije sectorwoningen in de wijk Schuilenburg aan de oostkant van de stad. Al snel hadden de architecten een aantal medestanders gevonden die geïnteresseerd waren in het kopen van een van de woningen. Zij kregen een grote mate van invloed op de planvorming, zoals in die tijd het ideaal was van veel architecten, waaronder Aldo van Eyck, Herman Herzberger en Piet Blom, maar ook minder bekende mensen als Jos Jobse, Abel Cahen en Jan Verhoeven.

 

De ideeën van de SAR, Stichting Architecten Research, die de betrokkenheid van bewoners bij de vormgeving van de eigen woonomgeving bevorderde, zijn in dit blok tot uitdrukking gebracht in het ABC-principe, dat stond voor drie keuzemomenten. De toekomstige eigenaren hadden grote betrokkenheid bij het bepalen van de indeling van het terrein, het grondplan en de toe te passen vormen, materialen en kleuren. Het huis van Leo Heijdenrijk zelf is gebouwd rondom de centraal in het huis gelegen, in de vloer verzonken ‘zitkuil’.

 

De zitkuil in Huis Heijdenrijk waaromheen de overige ruimtes zijn gegroepeerd, gezien vanaf de overloop aan de achterkant van het huis.

Keuzemogelijkheden binnen het basispatroon

De woningen zijn ontworpen op een eenvoudig basispatroon van waaruit een complexe en gevarieerde opbouw van de ruimtes mogelijk werd. In alle huizen is een afwisseling van open en gesloten ruimtes het uitgangspunt, maar de wijze waarop de relaties tussen de ruimtes zijn verschilt per huis. Het basispatroon bestond uit een oppervlak van 12 x 12 meter per woning met daarbinnen negen kleinere vierkanten van 4 x 4 meter.

 

Door de basismaatvoering kon ook verschil gemaakt worden in de omvang van de woningen. Zo is er een woning voor een kinderloos echtpaar dat de halve omvang heeft van de rest van de woningen. En is er een woning voor een arts met praktijk aan huis van anderhalf keer de basismaat.

 

Keuzemogelijkheid A van het ABC-principe betrof het aantal eenheden en de wijze waarop deze werden geschakeld, volgens een centrale as, of over de diagonaal. Mogelijkheid B ging over de functies van de ruimtes en de onderlinge relatie tussen de woningen. Daarbij werd vermeden dat een entreepartij of een dakopbouw van aangrenzende woningen direct naast elkaar zouden komen te liggen. Dit in verband met het aanzicht van het totale volume. Mogelijkheid C betrof de keuze voor de te gebruiken afwerkingsmaterialen en kleuren.

Achtergevel gezien vanaf het terras richting de openslaande deuren en werkruimte.
De vide gezien vanaf de ouderslaapkamer richting de vide en achtergevel.

Ruimtelijkheid en licht

Het basispatroon zorgde niet alleen voor variatiemogelijkheden in het platte vlak. Er was ook diversiteit mogelijk in de hoogte van de ruimtes en hoogteverschillen tussen de vloerniveaus. Zo waren er half verzonken ruimtes mogelijk (entresols), maar ook deels boven de grond gelegen ruimtes, ook wel splitlevels genoemd. Er konden ruimtes met een halve hoogte, maar ook met anderhalve verdiepingshoogte worden gekozen. Vides, hele en halfhoge muren, open en gesloten ruimtes, kortom: er was een overvloed aan mogelijkheden die grote variatie gaf in de vormgeving van het complex en in de ruimtelijkheid en de lichtinval van de individuele woningen.

 

De relatie met de buitenruimte werd voor het totale plan gerealiseerd door deze te ontwerpen op hetzelfde basisstramien van vierkanten als de binnenruimte. Aan de achterzijde van het complex, gelegen op het zuiden, was een uitloopmogelijkheid voor de kinderen naar het open veld. De huizen zijn gebouwd in betonsteen en waren in twee blokken van vier woningen verdeeld met daartussen een groenstrook. Dit zorgde voor een groene zichtlijn tussen de twee blokken door richting het veld. Later moest het veld plaats maken voor een uitbreidingswijk. De garages met bergingen bevinden zich aan de kopse kanten van de blokken. Dakterrassen en daktuinen haalden de buitenruimte nog dichterbij.

Het tochtportaal met zicht op de ruimte boven het fietsenhok.

Het eigen woonhuis van Leo Heijdenrijk

Leo Heijdenrijk (1932-1999) bouwde het huis op nummer 7 aan het Bohèmepad voor zichzelf, zijn vrouw Cis Heijdenrijk-Osendarp en hun vijf kinderen. Het ligt in het westelijk gelegen blok met de voorgevel aan de noordkant. Na zijn afstuderen aan de TU Delft trad hij in dienst van het Amersfoortse bureau van de architect Joost van der Grinten, vanaf 1970 omgedoopt tot Environmental Design, gevestigd in de Elleboogkerk in Amersfoort. In 1984 richtte hij het Architekten Kollektief Heijdenrijk op. Dit was gevestigd aan de Kortegracht in de Nieuwe Beelding, in het pand dat onderdeel uitmaakt(e) van Het Mondriaanhuis. Hij ontwierp onder meer de brugwoningen, het Castellum en de ‘ruïne’woningen in Kattenbroek, gelegen aan de noordzijde van de stad. En ook het TW/RC gebouw van de Universiteit Twente is van zijn hand.

 

Op de begane grond van Huis Heijdenrijk bevinden zich de meeste ruimtes. Ruimtelijk zit het huis ingenieus in elkaar. Enkele ruimtes zijn gelegen op entresols (de centrale zitkuil, de twee keer twee jongensslaapkamers en de meisjesslaapkamer met knutselhok), één ruimte op een splitlevelniveau (de werkruimte) en een ruimte in de dakopbouw op het platte dak (de ouderslaapkamer grenzend aan een vide).

 

De entree is vóór de gevel geplaatst en bestaat uit een klein tochtportaal dat grenst aan een laag fietsenhok; de ruimte boven de fietsenberging is onderdeel van het tochtportaal. Door het glas aan drie zijden wordt de ruimtelijkheid bevorderd. Tussen de jongenskamers aan de voorzijde van het huis bevindt zich de hal. Dit is een gang zonder ramen, om de overgang tussen binnen en buiten te accentueren en even te vertragen als je je jas aan- of uit doet. De hal heeft een aantal vaste kasten en biedt toegang tot de wc en de badkamer. Alleen de ruimtes gelegen aan de voorzijde van het huis zijn met draaideuren afsluitbaar. De overige ruimtes staan in open verbinding met elkaar.

De open leefruimte met zitkuil gezien naar de westgevel met de voormalige open keuken/eetkamer en lichtstraat.

Leefruimtes in open verbinding

De hal geeft toegang tot de grote leefruimte waar alle ruimtes met elkaar in verbinding staan. De dwars op de hal geplaatste lichtstraat zorgt voor een contrastrijke overgang tussen de donkere hal en de lichte leefruimte. De zitkuil is aan drie zijden omgeven door een lage muur met rechts en links een opening voor een korte trap van enkele treden om in de kuil te kunnen afdalen. Kijkend vanaf de borstwering is door de glazen achtergevel het centrale, hoge terras en de tuin zichtbaar. Aan de rechter westkant van het huis ligt een grote, open ruimte, oorspronkelijk in gebruik als woonkeuken met de ronde eettafel. Verder was er een barmeubel annex open kookgedeelte met vrij hangende afzuigkap en een aantal open stellingkasten, allemaal naar ontwerp van de architect. Wanden en vloeren waren van betonsteen, de constructie bestaat verder uit dikke, zwart gebeitste, houten balken en dwarsbalken en roodbruin gebeitste, houten plafonds. Later werden sommige vloeren voorzien van leistenen tegels.

De voormalige ouderslaapkamer gezien richting achtergevel.
De voormalige ouderslaapkamer gezien richting voorgevel.
De voormalige slaapkamer van de jongste jongens met doorzichten naar de voormalige woonkeuken.
De voormalige speelruimte van de kinderen met doorzichten naar de later aangebrachte keuken.,

Zichtlijnen en looproute

Vanuit de keuken aan de achterzijde kon je de hele leefruimte overzien. Later verplaatste het echtpaar de keuken naar de oostelijk gelegen jongensslaapkamer. Vanuit de keuken leiden enkele traptreden naar het splitlevelniveau met de werkruimte van de architect, waar ook zijn vrouw werkte als zij achter de naaimachine zat. Een korte trap leidt aan de oostkant van het huis naar een tussenruimte die in gebruik was als speelruimte voor de kinderen. Zo maakt de looproute door de leefruimtes een cirkelbeweging met overal doorkijkjes naar de grote zitkuil in het hart van het huis.

 

Tussen de keuken en de werkruimte ligt een overloop met de open trap naar de ouderslaapkamer. De slaapkamer is slechts afgescheiden door een lage, houten borstwering met klapdeuren en staat in verbinding met de lichte vide boven de trap en de overloop. De vide is aan de bovenzijde omgeven door drie glazen wanden. Vanaf de overloop geven openslaande deuren toegang tot het terras. De beide dakterrassen zijn vanuit de ouderslaapkamer bereikbaar. De beide lichtstraten langs de zijgevels  werden later vergroot en de vaste banken voor de kinderen, die op de terrassen tegen de zijgevels waren aangebracht, werden toen verwijderd.

De ‘hal’ gezien richting de doorgang naar de leefruimte.
De zitkuil met open haard gezien richting de speelruimte.

Wisselende uitzichten en verschuifbare panelen

Een van de gebouwen die grote indruk op Leo Heijdenrijk hebben gemaakt was de keizerlijke villa van Katsura in Kyoto, Japan. Hij bezocht de villa tijdens een studiereis naar Japan in de jaren 1960 en schrijft erover in zijn monografie over eigen werk uit 1988: Huizen binnen eigen huid. ’(…) de sobere constructieve geleding van de binnenruimte en de evenwichtige, uit zwarte lijnen en witte vlakken samengestelde, gevelarchitectuur zijn gebaseerd op de maat van de tatami.’ Tatami zijn gevlochten matten die de vloeren van de traditionele, Japanse huizen bedekten. Ze zijn doorgaans ongeveer 90 bij 180 centimeter.

 

Afgezien van de gevels van de huizenblokken met hun verticale geleding verwijzen ook de houten onderdelen van de binnenwanden, in het bijzonder de scheidingswand tussen de open leefruimte en de jongensslaapkamers, naar de Japanse architectuur. De houten luiken in het zwarte, houten raamwerk kunnen in wisselende standen worden gezet en doen in die zin denken aan de verschuivende panelen van de keizerlijke villa: ze bieden wisselende uitzichten. Overigens waren de luiken oorspronkelijk helder groen geschilderd; tegenwoordig zijn ze wit.

Het tochtportaal met doorzicht naar de hal.
De wand met haldeur en lichtstraat.

Zitkuil en slaapkuilen

Architecten experimenteerden in de naoorlogse periode graag met ingebouwde leefruimtes en hoogteverschillen, waaronder ook Heijdenrijk blijkens de centrale plaats van de zitkuil in zijn eigen woonhuis. De ruimte is voorzien van een vaste bank met grote, zachte kussens aan drie zijden, een open haard en vaste kasten voor de TV, de grammofoon met opbergruimte voor grammofoonplaten en planken voor boeken en siervoorwerpen.

 

Bovendien zijn de beide jongenskamers voorzien van ingebouwde bedstedes, verdiept gelegen onder een plateau op borsthoogte (thans vervangen door één gelijkvloers niveau). Tegen de ramen aan de voorzijde van het huis stonden de bureaus van de jongens. De dochter sliep eveneens op een entresol, toegankelijk vanuit de zitkuil.

 

De zitkuil met doorzicht naar de speelruimte met lichtstraat boven het oostelijke terras.

Landschappelijk interieur

De zitkuil is in de jaren 1960/1970 populair geworden vanuit een behoefte aan een intieme, sociale ruimte in de open woonruimte. Door het zitgedeelte te laten verzinken ontstaat een gevoel van beslotenheid en gelijkwaardigheid; mensen zitten er dichter bij elkaar. De vergelijkbare ‘slaapkuil’, een slaapgedeelte verzonken in de vloer van een vertrek, is veel minder bekend geworden. In dit verband wordt ook verwezen naar invloeden van de Japanse wooncultuur waar het gebruikelijk was om laag bij de grond te zitten, maar ook op of dicht bij de vloer te slapen, vaak in tatami-ruimtes.

 

De experimenten met niveauverschillen en ingebouwde leef- en slaapruimtes zijn kenmerkend voor de trend van het ‘landschappelijke interieur’: een soort bewoonbaar landschap met vloeiende overgangen, hoogteverschillen en intieme zones.

 

Interview met Niels,

een van de zoons van de architect: klik hier!

 

Tekst: Barbara Laan

Foto’s: Bert Muller

Copyright: SHI/BMbeeld 2026

 

Bronnen

‘ABC woningen te Amersfoort’, Bouw (1972)29/30, p 989-991

M. Dendermonde, Environmental design bv, Amersfoort 1974

I, Edzes e.a, Structuralisme in Amersfoort, Leusden en Hoevelaken, Amersfoort 2021

L. Heijdenrijk, Huizen binnen eigen huid, Amersfoort 1988

 

 

 

Plattegronden van drie woningen in het westelijk gelegen blok, met links Huis Heijdenrijk.

Meer info over dit huizenportret?

Stuur ons een mail